Na afloop van zijn ronde schoof Brendan Korten met een diepe zucht aan tafel.
“Ach, wat ging het slecht… twee birdies gemist.”
Mijn hersenen werken misschien net iets anders dan die van jullie, maar bij zo’n uitspraak reken ik snel door. Twee birdies gemist? Dan zijn er blijkbaar zeven wél gemaakt. Ik weet dat Brendan tot veel in staat is, maar zelfs voor hem leek mij dat wat ambitieus.
Navraag leerde dat hij geen twee birdies had gemist, maar negen. En eigenlijk is zelfs dat geen goed Nederlands, want je kunt moeilijk iets missen wat er niet is. Wat hij bedoelde te zeggen, was dat hij twee keer een goede kans op een birdie onbenut had gelaten.
Maar wanneer mag je eigenlijk spreken van het missen van een kans op birdie?
Voor de één begint die kans pas als de bal binnen een meter van de hole ligt. Dan is het geen kans meer, maar bijna een verplichting. Voor een ander ligt de lat – of de hoop – wat verder weg. Die beschouwt een putt van vijf meter als een serieuze birdiekans. En als de bal dan nét langs de hole schuift, wordt er gesproken van een gemiste birdie.
En stel dat je al een paar keer vanaf die afstand hebt gemist – mag je dan nog steeds spreken van een serieuze kans? Of was het misschien toch meer optimisme dan waarschijnlijkheid?
Wanneer mijn bal op vijf meter van de hole ligt, voel ik ook wel eens een lichte opwinding. Een birdie lonkt. Maar als de putt vervolgens niet valt, beschouw ik dat niet als een gemiste birdie. Eerder als een bevestiging van de statistiek.
Maar goed, zo heeft ieder zijn eigen definitie. En dat verklaart waarschijnlijk waarom er na afloop steevast meer birdies worden gemist dan er gemaakt zijn.
Vandaag werden er opnieuw meer birdies gemist dan gemaakt. Dat was overigens geen grote opgave, want er viel er slechts één te noteren. En door wie anders dan Erik Bark, op hole 6.
Met deze prestatie verdiende Erik een balletje van die bekende makelaar. In een sportief gebaar schoof hij dat echter direct door naar Joyce Bakker. Joyce kon vandaag zelf geen poging doen een balletje te winnen, want terwijl wij onze wedstrijd speelden, zat zij braaf bij Jos van der Werf in de computerles.
De twearies gingen deze keer naar Brendan Korten en Piet den Dulk.
De dagprijzen waren voor Hein Dekker (18 punten), Nick van Zantvoort (20 punten) en Joop Bartelings (21 punten).
Joop bewijst overigens week in, week uit het ongelijk van de NGF als het gaat om het toekennen van slagen voor de tweede negen. Speel je een 9-holeswedstrijd, dan krijgt een mid-handicapper volgens de tabellen 16 slagen “mee” voor die tweede negen. Misschien moeten we de scores van Joop eens opsturen.
’s Morgens loopt hij voorafgaand aan de wedstrijd meestal al negen holes waarin het allemaal nog niet wil vlotten. Maar zodra het er ’s middags om gaat, verzamelt hij in die tweede negen steevast aanzienlijk meer Stablefordpunten dan de 16 die de NGF hem toedicht.
Er zijn dus theorieën, en er is Joop.
Guus